We kennen hem van Fanfare en Alleman. Minder bekend is dat Bert Haanstra op latere leeftijd een persoonlijkere film maakte: Dokter Pulder zaait papavers over verslaving en identiteitscrisis. Waarom kennen we deze film zo slecht?

Fanfare (1958) en Alleman (1963) kunnen gerust Haanstra’s meest bekende films genoemd worden. Beide films trokken veel bezoekers en staan in het nationale geheugen gegrift. Ze zijn typerend voor het werk van een filmmaker die met vloeiende montage en een rustige, kabbelende stijl verhalen vertelde. En misschien het meest belangrijke: Haanstra maakte films over ons, over Nederlanders. In Haanstra’s hoogtijdagen gingen Nederlanders naar zijn films om zichzelf te zien.
Fanfare vertelt een simpel verhaal — twee leden van een dorpsfanfare krijgen ruzie waarin het hele dorp betrokken is. Het is de Nederlandse maatschappij in het klein. Haanstra maakt gebruik van herkenbare archetypes: het mooie meisje uit de stad, de plichtsgetrouwe politieagent en de dikke, weinig sympathieke caféhouder. Lagerwiede, het fictieve dorp waar de film zich afspeelt, is een dorp als veel Nederlandse dorpen: het is idyllisch en er heerst gemeenschapszin, maar er wordt ook geroddeld. Fanfare is een lichtvoetige film: er wordt ruzie gemaakt om iets frivools als een fanfare, met komisch effect.

Morfinevoorraad
Ook de burgerlijke huisarts Kees Pulder (een rol van de onlangs overleden Kees Brusse) uit Dokter Pulder zaait papavers (1975) woont in een idyllisch dorp. Hij lijkt daar echter minder plezier te hebben dan de dorpelingen in Fanfare. Als hij na jaren zijn studievriend, de geslaagde neurochirurg Hans (Ton Lensink), op bezoek krijgt, verandert alles. De twee vrienden zetten het op een drinken, waarna Hans blijft logeren. De volgende dag is Hans met Pulders morfinevoorraad verdwenen. Niet veel later sterft de chirurg aan een overdosis, waarna Kees begint te twijfelen over zijn leven en in de ban raakt van Hans’ minnares.
In Alleman, de documentaire die twaalf jaar voor Dokter Pulder verscheen, is er nog geen vuiltje aan de lucht. Haanstra toont Nederland aan de hand van hoe we wonen, werken, recreëren, naar de kerk gaan en verliefd worden. Haanstra presenteert de Nederlanders als een rustig, eensgezind en daadkrachtig volk. We hebben pret, maar met mate. We laten ons gaan, maar niet te veel. We wonen dicht op elkaar, maar dat brengt geen problemen. We zijn beschaafd. We steken de handen uit de mouwen om geld te verdienen. We zetten door. Het idee van eensgezindheid creëert Haanstra niet alleen door beeldrijm, maar ook door vlotte montage.

Identiteitscrisis
Met zijn films uit de jaren vijftig en zestig lijkt Haanstra te willen zeggen: een mens is niet uniek. Door beelden te tonen van hoe mensen op elkaar lijken — of zelfs op dieren, zoals in Zoo (1962) — wordt het concept van het individu genegeerd en afgezwakt, want die eenheidsworst levert kalmte op. Dokter Pulder vertelt ons echter iets anders.
Kees Pulder lijkt gebukt te gaan onder dit gebrek aan eigen identiteit. Dokter Pulder heeft een andere focus dan Haanstra’s eerdere werk. De film zoomt in op de crisis van een individu: zijn twijfels, angsten en ontevredenheid. Heel wat anders dan wat er te zien was in de eerdere films. Daar zagen we de grotere patronen, gemiddeld menselijk gedrag en harmonie. Bij Pulder is ook de frivoliteit verdwenen. Er is niets lolligs of frivools aan morfineverslaving, alcoholisme of een identiteitscrisis.
Vanwaar deze omslag? Ten eerste is er het boek van Koolhaas — De nagel achter het behang (1971) — waarop de film gebaseerd is. Haanstra las graag Koolhaas en was met hem bevriend — de schrijver fabriceerde ook de tekst voor Alleman. Omdat het tamelijk duistere verhaal van Koolhaas de basis voor de film was, werd Dokter Pulder ook een duistere film. De verandering lijkt echter vooral te maken te hebben met de levensfase waarin Haanstra was beland. Dokter Pulder bevat verschillende thema’s, maar de meest belangrijke is de identiteitscrisis: het twijfelen aan eerder gemaakte keuzes, meer willen dan het brave burgermansbestaan en op zoek gaan naar vrijheid en avontuur. Haanstra was zestig toen hij de film maakte en had ook te kampen gehad met deze gedachten. In een interview in de Haagse Post verklaarde hij over zijn hoofdpersonage: “Dat is mijn mannetje. Dat ben ik. Een man van in de vijftig die ineens denkt: wat heb ik eigenlijk zitten doen in dit klotedorp? Griepjes behandelen! Hij wil die andere wereld leren kennen.” Met de keuze voor het verfilmen van Koolhaas’ boek bewijst Haanstra dat hij zelf ook een andere wereld wilde leren kennen. Hij liet de frivoliteit achterwege en en verwelkomde de duistere, verleidelijke, onbewuste krachten van het leven.

Reputatie
Wij willen Haanstra echter zien als de grote cineast die een Oscar won (voor Glas in 1960), en die in staat was om het gedrag van de Nederlander te observeren en analyseren. Doorgaans waren dat positieve, milde observaties en analyses. Dat Dokter Pulder door het publiek destijds minder gewaardeerd werd door het publiek (280.000 bezoekers terwijl Fanfare meer dan twee miljoen bezoekers trok), heeft te maken met dat Haanstra met de film thematisch een andere richting koos. We zien geen tevredenheid, bescheidenheid, standvastigheid en gezwinde voorspoed meer. In Dokter Pulder zien we twijfel, verslaving en ondergang. Omdat Haanstra ons zijn beroemde spiegel voorhield, hadden veel mensen moeite Pulder als een Haanstra-film te zien. Dokter Pulder is in zekere zin slachtoffer van de reputatie van zijn maker. Jammer, want de film over de dolende vijftiger is juist in deze tijd van keuzestress, hang naar avontuur en allerhande persoonlijke crises de moeite waard om te zien.


Dit essay verscheen in De Filmkrant (december 2013) en op Filmkrant.nl